Zuidwal

Midden op de Zuidwal
Tussen eeuwige lindebomen
– Waar zag men of bestond
verval? –
Is de jongen teruggekomen

Spelend met herfstbladeren
Sneeuw onder de klompen
Bloesem op het hoofd
Loopt hij door kniehoog
Beemdgras, spijkerpunthard

De pijlen, de boog schietklaar
Zoekt de jongen door de dagen
Struikelt wanneer hagel
Naar de tanden slaat, zeewind
Blaast en vol verzet water breekt

In zijn blauwvalies herinnert
De jongen wegen en scapulieren
Vroeg neon buigt er het glas van de
Droom, zondig speeksel tast in
Lommerrijke avonden. Alles ligt klaar

Op de Zuidwal: de zee, de reizen
De kazige schimmel van de nacht
De omkeerbaarheid van het woord
De luchtspiegeling van de dood
En altijd late nazang in het oor

Lippen vol kus en huidherinnering
Sluimeren, haken nog niet aan taal
Raken traag de binnenwand. Zo bedenkt
Hij haar, onstuimig, telkens weer
Terwijl kruitdamp vervliegt

De vader vult de glazen, de moeder breit
In treur. De jongen buigt de takken
Van de hemel. Even is hij terug
Verdwijnt in zichzelf en schemert
In een toekomst die zo lang verleden is.

(Hans van de Waarsenburg, Zuidwal,
uit de gelijknamige dichtbundel, Meulenhoff Amsterdam 1995)

De laatste strofe van dit gedicht kwam in 2005 bij deze vraag in De kennisquiz over Helmond aan de orde.